Dussoi's picture

About the author
Dussoi
Novel: Sarah gaat naar Utrecht
Genre: Historical Fiction
41,074 words so far  

About Dussoi

Location: Maarssen, Netherlands, Europe

Home Region:
Europe :: Holland & Belgium

Age:51

Favorite novels: Lord of the Rings

Favorite writers: Tolkien, Simenon, Ann Perry

Non-noveling interests: zingen, talen leren

Joined: October 20, 2007

This Year: Official Participant

NaNoWriMo History:
'07

NaNoWriMo posts: 24

NaNoWriMo buddies: 4

 

Synopsis: Sarah gaat naar Utrecht

Een Joods meisje verhuist begin 19e eeuw van Maarssen naar Utrecht.
Kinderboek

Excerpt: Sarah gaat naar Utrecht

Even later klopte ze bij Roosje aan de deur.
Roosjes moeder deed open.
“Je mag maar even binnen, Saartje,” zei ze vriendelijk. “Roosje moet zo naar bed.”
Saartje kwam snel naar binnen.
Roosje zat in een hoekje te breien. Het ging langzaam, want ze had het nog maar net geleerd. Ze hield het breiwerkje omhoog.
“Kijk,” zei ze trots. “Ik help mama al. Ik ben nu een das voor mezelf aan het breien.”
Haar moeder glimlachte even, en liep toen naar de keuken.
“Is het geen sjabbat, Saartje?” vroeg Roosje.
“Nee, niet meer,” legde Saartje geduldig uit. “Weet je wel? De sjabbat begint op vrijdagavond als het donker wordt. En hij is weer afgelopen op zaterdagavond, ook als het donker wordt.”
“O ja, dat is waar,” zei Roosje. “En als het sjabbat wordt, gaat je moeder zingen en doet ze de kaars aan, toch? En dan mogen jullie daarna ook geen licht meer aandoen. En ook niet meer koken.”
“Precies,” knikte Saartje. “Dan hebben we al het eten al klaargemaakt vóórdat de sjabbat begint.”
“En als de sjabbat voorbij is, mag je weer eten koken,” zei Roosje. “En dan mag je ook weer het licht aandoen.”
Saartje knikte.
“We gaan verhuizen,” zei ze toen. “Naar Utrecht.”
Roosje keek haar met open mond aan.
“Naar Utrecht?” vroeg ze toen.

Het stuk door het dorp vond Saartje nog het leukste. Daar waren altijd veel mensen te zien. Ze liepen langs de vishandelaar, waar moeder haar vis kocht. En langs de slager, waar alleen de Joden kochten. Dat was, omdat Joden het vee anders slachtten dan niet-Joden, wist Saartje.
Dan kwamen ze langs het gedeelte van de niet-Joden, de gojim. Daar stonden bijna altijd mensen op straat te praten. Ze waren anders gekleed dan Saartje en haar moeder.
Ze keken altijd even naar elkaar, als ze langsliepen. Maar ze spraken nooit met elkaar. Zowel Joden als niet-Joden vonden, dat ze elkaar niets te zeggen hadden.
Vandaag waren er niet veel mensen op straat, want het was zondag. Dan hadden de christenen hun sjabbat, had vader verteld. De mensen die er waren, wandelden met de hele familie.
Zodra ze buiten het dorp waren, vond Saartje het te stil worden.
Ze liepen langs grote buitenhuizen. Dan verdwenen ook die.
Saartje begon moe te worden. Daar werd ze weer vrolijk van. Want ze werd altijd moe vlak voordat ze van de weg afmoesten.
Het paadje waar ze op moesten was zo smal, dat ze achter elkaar moesten lopen. Moeder ging eerst, dan Saartje.
Toen kwamen ze in het weiland.
Saartje keek om. Er was nog een stukje weg te zien. Dat betekende, dat ze er nog niet waren. Want lang geleden was besloten, dat de begraafplaats niet te zien mocht zijn vanaf de weg.
Even later kwam de smalle plank. Saartje hield niet van die plank. Ze was altijd bang, dat ze eraf zou vallen.
Maar gelukkig kwam ze er ook dit keer veilig overheen.
Moeder begon nu langzamer te lopen. Ze mompelde in zichzelf.
‘Dat ik vader toch in de steek moet laten … Maar Jacob heeft gelijk: de levenden zijn belangrijker dan de doden.
En ik ben een goede dochter geweest. Ik heb langer voor zijn graf gezorgd, dan menig ander hier in het dorp.’
Ze kwamen nu bij het graf van opa aan.

Saartje en haar moeder waren al vroeg klaar met eten, maar ze gingen nog geen boodschappen doen.
Eerst gingen ze de bedden buiten uitkloppen. Ze waren niet de enigen. Het was een mooie dag, en veel vrouwen grepen de kans de boel uit te kloppen. Saartje en haar moeder kregen hulp van de buurvrouwen en toen hielpen zij op hun beurt de buurvrouwen.
Het was heel gezellig en er werd veel gelachen.
‘Jammer, dat jullie naar Utrecht gaan,’ zei één van de buurvrouwen toen. ‘Maar ik denk wel, dat je man gelijk heeft, vrouw Goldberg. Steeds meer joden trekken nu naar Utrecht. Mijn man is al bang, dat we straks niet meer de benodigde tien mannen hebben om de Kaddish te zingen voor de overledenen.’
Moeder moest even lachen. ‘Ik heb gehoord, dat er bij de laatste telling 90 van onze Joden waren,’ zei ze. ‘Dus ik denk, dat het nog wel meevalt.’
Toen ze klaar waren met het uitkloppen van de bedden en van de matten, gingen ze boodschappen doen. Saartje keek goed rond, maar ze zag Abe gelukkig niet.
Dit keer namen ze de boodschappen in dozen mee naar huis.
‘Zeker voor de verhuizing, vrouw Goldberg?’ vroeg de winkelier.
Moeder knikte.
‘Jaja,’ zei de winkelier, ‘het wordt steeds leger in Maarssen. Ik hoop, dat het jullie daar goed gaat.’
Moeder glimlachte even. ‘We zijn nog niet weg,’ zei ze. ‘Er moet nog veel geregeld worden.’
De winkelier knikte nu ook. Ja, hij wist er alles van. Hij had ook familie die verhuisd was.
‘En hoe gaat het daar nu mee?’ vroeg moeder.
De winkelier dacht even na. ‘Het was heel erg wennen,’ zei hij toen, ‘maar nu maken ze het goed. Alles is anders, dat moet je niet vergeten. Het is er zo druk en er is altijd veel lawaai.’
‘En hoe doen ze nu tegen de joden?’ vroeg Saartje moeder.
‘Het kan ze niet veel schelen, denk ik,’ antwoordde de winkelier. ‘Als wij maar niet hun baantjes inpikken, want dan worden ze wel boos. Ach, het is niet zo’n slecht volk. Ze bemoeien zich gewoon niet met ons, en wij bemoeien ons niet met hen.’
Ze liepen ieder met een doos terug.

De volgende ochtend stonden er veel vrouwen op straat te praten, toen Saartje en haar moeder boodschappen gingen doen.
Ze bleven even staan luisteren.
Toen de vrouwen dat zagen, zeiden ze tegen Saartjes moeder: ‘Heeft u het nog niet gehoord, vrouw Goldberg? Het was toch een vreselijk lawaai vannacht.’
‘Nee,’ zei Saartjes moeder. ‘Hoewel, ik ben wel even wakker geweest. Misschien heb ik heel vaag iets gehoord. Wat is er gebeurd?’
‘Die rotjongens uit Breukelen zijn weer bezig geweest,’ zei vrouw De Groot.
‘Nou, die niet alleen hoor,’ zei een andere vrouw. ‘Er was ook een van ons bij, en die was ook niet echt aardig te noemen.’
Saartje en haar moeder wachtten geduldig, totdat ze erachter kwamen, wat er was gebeurd.
‘Nou, mijn Jan had gisteren dienst,’ zei vrouw Klaassen, ‘ en toen hoorden ze een stel mannen met veel lawaai door de straat gaan. Eerst dachten ze, dat ze dronken waren. Toen ze dichterbij kwamen, zagen ze, dat ze iets aan het vernielen waren. Ze riepen naar ze, Werda, riepen ze nog, maar die mannen gingen ervandoor. Nou, mijn Jan ging er natuurlijk meteen achteraan.’
De hele groep knikte, ja, dat zou Jan vast wel gedaan hebben. Dat kenden ze wel van hem. Hij liet niet los.
‘Maar die mannen zullen toch niet zo dronken geweest zijn’, ging vrouw Klaassen verder, ‘want ze konden best rennen. Maar mijn Jan herkende er wel een stel.’
De groep vrouwen wachtte vol spanning, op wat komen ging. Vrouw Jan liet expres een kleine stilte vallen.
‘Het was zo’n bende uit Breukelen,’ zei ze, ‘en er zat nota bene eentje bij van de Wehrmacht daar, Smits geloof ik dat die heet.’
‘Dat zal Smit zijn,’ zei vrouw Steenis, ‘dat is een verre neef van mijn man. Het is geen beste. Ze hadden hem ook nooit bij de Wehrmacht moeten laten gaan, daar hoort hij niet thuis. Altijd een lastige jongen geweest, zegt de nicht van mijn man.’
Vrouw Klaassen schraapte haar keel. Iedereen keek weer naar haar.
‘Smit dus,’ zei ze, ‘Joris Smit. Maar hij was niet de enige. Ze waren bijna allebei uit Breukelen. Behalve Karel van de smid dus.’
De vrouwen begonnen door elkaar te roepen.
‘Wat? Karel van de smid? Nee toch!’
Ze schudden hun hoofd. ‘Die arme smid toch,’ zeiden ze tegen elkaar.
Maar Saartje had het gevoel, dat ze ook wat tevreden keken.

Ze pakten samen de boodschappen uit. Toen maakten ze samen het huis schoon. Onder het werken werden ze weer wat vrolijker. En toen ze tenslotte met het eten begonnen, begonnen ze zelfs te zingen.
Saartjes moeder had een lage stem. Daar kwam Saartje met haar hoge stemmetje met gemak bovenuit.
Ze vond het altijd heerlijk, samen met haar moeder te zingen.
Haar moeder glimlachte naar haar.
‘Je hebt een rood hoofd van het zingen,’ zei ze.
Saartje zong tevreden door. Dat rode hoofd vond ze helemaal niet erg.
Een groot deel van de dag waren ze druk bezig met het kneden van het brood voor de sjabbat.
‘In Utrecht is een bakker die brood voor de sjabbat bakt,’ vertelde moeder.
‘Als we wat meer geld hebben, kunnen we dat kopen.’
‘Maar ik vind het altijd zo leuk, samen met jou brood te bakken,’ zei Saartje.
Moeder streek haar over haar haren.
‘Je hebt gelijk kind. Ik vind het ook leuk. Maar ik begin zo’n last te krijgen van al dat bukken. En van die hitte van de oven. Maar voorlopig kunnen we nog wel zonder bakker.’
Toen het brood in de oven stond, rustten Saartje en haar moeder even uit. Ze zaten samen op het bankje vóór het huis.
Na een kwartiertje stond moeder weer op. ‘Kom,’ zei ze, ‘we moeten maar eens verder.’
Saartje hielp haar moeder met het maken van de gefillte fisch. Dat vond ze altijd het leukste karweitje van het eten voor de sabbat. Ze voelde zich er altijd plechtig van worden.

Pas tegen de middag aten ze. Eerst baden ze de Kiddoesj van de ochtend en toen hadden ze een uitgebreide maaltijd. De groenten die ze gisteren klaar hadden gemaakt, kwamen op tafel, samen met de gefillte fisch. Vader speelde daarna wat met Saartje en vertelde verhalen over vroeger. Daar luisterde Saartje altijd graag naar.
Vader en moeder praatten nog over de verhuizing. Vader had al geregeld, dat oom Aäron zou komen helpen met de verhuizing.
Tegen het eind van de middag ging vader nog naar de middagdienst in de synagoge.
Toen hij terugkwam aten ze nog een maaltijd. En toen die afgelopen was, was de sjabbat ook afgelopen.
Ook dat werd gevierd.
Eerst ging vader naar de synagoge.
Toen hij thuiskwam, zegende vader een kaars die verschillende pitten had en een klein zakje kruiden.
Het hele gezin was erbij.
Het was een plechtig moment, en dat voelde Saartje altijd heel goed.
Deze avond ging Saartje niet stiekem naar haar vriendinnetje. Ze bleef thuis en ging vroeg slapen.
‘Je hebt me weer goed geholpen, om er een mooie Sjabbos van te maken,’ zei moeder tegen haar.
Saartje bloosde van plezier.

Vader gaf moeder wat geld. ‘Kijk, meer dan ik normaal had verdiend in dat laatste uurtje,’ zei hij. ‘En morgen mag ik ’s avonds een uurtje achter de naaimachine.’
Die avond sneed en knipte vader een patroon voor nieuwe kleren. De kleermaker had hem papier daarvoor meegegeven. ‘Hij kon er toch niet veel meer mee,’ zei vader, ‘maar hij wist dat ik er altijd iets mee zou kunnen.’
Saartje zat op haar knieën naast haar vader. Ze wilde het allemaal precies weten.
‘Maar hoe weet je nu, hoe breed het allemaal moet zijn, vader?’ vroeg ze.
‘Je vader heeft een kleermakersoog,’ zei moeder trots. ‘Hij heeft mijn eerste jurk voor me gemaakt zonder dat hij ook maar iets heeft gemeten. Je vader was vroeger beroemd om dat oog, kind.’
Ze keek dromerig in de verte. Vader keek naar haar. Hij keek heel lief, vond Saartje.
De volgende avond kwam vader terug van de kleermaker zonder nieuwe kleren. ‘Ik heb al wel het jasje gemaakt,’ zei hij, ‘maar nog niet de broek. Ik heb de kleermaker tussendoor nog wat geholpen. Morgen probeer ik de broek te maken.’
Dat lukte hem inderdaad.
‘Het is niet zo’n mooie broek,’ zei hij, ‘maar het kan ermee door. Ik kan het allemaal nog steeds, maar ik ben wel langzamer geworden.’
Hij keek even naar zijn vrouw.
‘Ik heb met de kleermaker afgesproken dat ik hem voortaan iedere avond een uurtje kom helpen. Dan kom ik eerder uit de stad terug. Ik verdien dan ook wat meer.’
‘Dan hebben die vervelende mannen toch wat goeds gedaan,’ zei Saartje.
‘Ik had het liever anders gehad,’ zei vader zuur. ‘Maar je hebt wel een beetje gelijk, kind. Ik vind het heerlijk weer naald en draad in mijn handen te houden.’

De volgende ochtend droeg moeder de das toen ze naar buiten gingen.
Saartje liep trots naast haar.
Op de terugweg kwamen ze Abe tegen.
Hij nam de boodschappenmandjes van Saartje en haar moeder over en droeg ze naar hun huis.
Ondertussen vertelde hij, dat hij inderdaad een baantje als tuinman had gekregen.
Morgen zou hij beginnen.
Eerst zou hij een paar uurtjes per dag werken.
Over een week zou hij waarschijnlijk weer helemaal kunnen werken.
Toen keek hij eens goed naar moeder.
‘U heeft een das,’ zei hij.
Moeder glimlachte.
‘Ja, die heeft Saartje voor me gebreid,’ zei ze.
‘Is ze al zo knap?’ vroeg Abe verwonderd.
‘Roosjes moeder heeft me geholpen,’ zei Saartje.
‘En mama heeft de steken opgehaald, als ze gevallen waren.’
‘Ik vind het toch knap,’ hield Abe vol.
Toen ze thuiskwamen, zette hij de mandjes binnen.
Toen groette hij hen en ging weer weg.
‘Hij is veel liever, dan we eerst dachten, hè mama?’ zei Saartje.
‘Dan jij dacht,’ verbeterde moeder.
‘Ik wist het nog van vroeger. Maar jij was te klein, om je dat te herinneren.’

Het was wat stil, toen de Cohens weg waren.
En het huis zag er vreemd leeg uit.
Ze hadden nooit erg veel gehad, maar nu leek het allemaal nog leger.
Ze keken elkaar even aan.
Niemand wilde nog gaan slapen.
Ze zaten stilletjes bij elkaar.
‘Wie had dat toch ooit gedacht,’ zei vader toen, ‘dat Judith Meijer en Jacob Cohen op een dag bij elkaar in hun huisje zouden zitten. Met hun dochter.’
Meijer was de naam van mama voordat ze getrouwd was, dat wist Saartje nog.
Moeder glimlachte even.
‘Nou, mijn ouders zeker niet,’ zei ze.
‘Opa wilde niet, dat je met papa trouwde, hè mama?’ vroeg Saartje.
‘Opa wilde, dat ik met een andere man trouwde,’ zei moeder. ‘Hij had niets tegen je vader. Alleen wilde hij hem niet als bruidegom voor mij. Je opa wilde een rijke schoonzoon.’
‘Maar jij wilde niet, hè mama?’ vroeg Saartje weer.
‘Nee,’ antwoordde moeder, ‘ik wilde dat helemaal niet.’
‘En waarom wilde je dan niet?’ vroeg Saartje.
‘Die man was een …’ zei moeder. En toen gebruikte ze een woord wat Saartje helemaal niet kende.

‘Dus je wordt, wat je vader of moeder ook is geworden,’ zei ze toen langzaam.
‘Ja, natuurlijk,’ zei vader. ‘Meestal wel, tenminste. Niet altijd. Mijn vader was ook kleermaker, en ik sta nu op de markt. Maar dat kwam, omdat de mensen mijn mooie kleren niet meer kunnen betalen. Toen ben ik op de markt gaan staan, want je moet toch iets doen. En ik vind dat ook niet zo erg.’
‘ En als meisjes nou eens kleermaker willen worden?’ vroeg Saartje.
Daar moesten de volwassenen hard om lachen.
‘Nee, natuurlijk kan dat niet,’ zei vader. ‘Een meisje blijft thuis. Die trouwt eerst. Dan wordt ze een getrouwde vrouw. Dan komen er meestal wel kinderen en daar zorgt ze dan voor. En de man die gaat dan de grote wereld in, om geld te verdienen. En zo zorgt hij dan weer voor zijn vrouw en kinderen.’
Grinnikend liep hij verder. Een vrouw als kleermaker, het idee.
Moeder zag Saartjes teleurgestelde gezichtje.
‘Maar vrouwen maken ook wel kleren,’ zei ze, ‘maar die maken ze dan alleen voor het eigen gezin. En als ze veel kinderen hebben, kunnen ze ook veel kleren maken.’
Dat stelde Saartje weer een beetje gerust. Ze ging hardop plannen maken voor de kleren die zij later voor haar kinderen zou maken. Wat ze zou maken voor een zoon, en wat ze zou maken voor een dochter.
‘ En maak je niets voor die arme man van je?’ plaagde moeder.
‘ O ja, dat moet natuurlijk ook, hè,’ begreep Saartje.
Nu moesten de verhuizer en vader zo hard lachen, dat moeder snel de kruiwagen moest vastgrijpen. Vader en de verhuizer rolden bijna over de grond van het lachen.
‘ O ja, die is er ook nog,’ brulde de verhuizer het uit.

Er werd veel geroepen en geschreeuwd. Ze liepen nu langs een gracht. Die lag onder hen. Er waren veel trappen, waarmee je bij de gracht kon komen. Er liepen ook veel mensen beneden bij de gracht.
Er waren ook veel schepen in de gracht. Veel schepen waren zwaar geladen.
‘Die gaan naar de winkels in de stad,’ zei vader. ‘Er staan hier veel winkels aan de kant van het water. De spullen worden van de boot afgeladen en kunnen zo de winkel in.’
‘En wat zijn het allemaal voor spullen?’ vroeg Saartje.
‘Teveel om op te noemen,’ antwoordde vader.
‘Maar in ieder geval …’ Hij dacht even na.
‘In ieder geval turf,’ zei hij toen. ‘En bier. Zie je die boot daar, Saartje?’
Hij wees naar een bood die zwaar in het water lag. De bovenkant van de boot was bijna net zo laag als het water.
Saartje knikte.
‘En zie je die tonnen?’ vroeg vader verder.
Saartje knikte weer.
‘Daar zit wijn in,’ zei vader. ‘En bier. Er zijn hier veel café’s in Utrecht. Daar wordt het bier naartoe gebracht.’
Hij keek even.
‘Kijk,’ wees hij, ‘daar bijvoorbeeld.’
Saartje keek mee. Ze zag mannen met de grote tonnen rollen.
‘Is dat niet erg zwaar?’ vroeg ze bewonderend.
‘Jazeker,’ antwoordde vader, ‘en je moet er dus ook erg sterk voor zijn.’
Saartje wees.
‘Kijk papa, ze hebben ook kleren!’
Vader keek eens goed.
‘Je hebt gelijk, Saartje,’ zei hij. ‘Kleren worden ook met de boot naar de winkels gebracht.’
Er voer nu een boot langs met balen stof. Saartje keek de boot helemaal na.
Ze keken samen naar een andere boot. Daar zagen ze appels in, en groenten.

Iedereen wachtte nu op oom Aäron, die een zegen over de maaltijd uitsprak.
Daarna begonnen ze te eten.
Saartje keek af en toe stiekem naar neef Levi. Hij leek helemaal niet blij, dat zijn familie hier kwam wonen. Jammer, vond Saartje, zij had zich er wel op verheugd.
Het eten was lekker.
‘Wij eten ook meestal alleen aardappelen,’ zei tante, ‘maar we wilden voor de gelegenheid extra lekker eten.’
Ze keek even naar haar zoon.
‘Daar verwacht ik dan ook een beetje dankbaarheid voor terug,’ zei ze scherp.
Neef Levi schoot overeind.
‘Ik ben ook dankbaar, mama,’ zei hij snel.
‘Probeer dan een beetje vrolijker te doen,’ zei zijn moeder.
Neef Levi probeerde het echt, dat zag Saartje wel. Maar het lukte niet zo goed.
Vader en oom Aäron praatten over de volgende dag.
‘We kunnen nu samen naar de markt lopen,’ zei oom Aäron. ‘Dat vind ik ook wel gezellig.’
Saartje keek even naar neef Levi.
‘Jij gaat later ook op de markt staan, hè Levi?’ vroeg ze.
Levi keek even naar haar.
‘Ja, ik moet wel,’ zei hij boos.
Saartje schrok.
‘Het spijt me, ik wilde niet vervelend zijn,’ zei ze.
Haar lip trilde.
‘Je neef wil op het moment niets,’ zei oom Aäron met een zucht, ‘dus moet alles.’
‘Maar je zit nu toch nog op school?’ vroeg Saartje.
‘Ja, daar moet ik ook heen,’ snauwde Levi.
‘Toe Levi,’ zei tante, ‘doe eens aardig tegen je nichtje. Zij kan er ook niets aan doen, dat jij van ons dingen moet doen.’
Moeder pakte haar zakdoek en veegde voorzichtig een traan van Saartjes wang.

Hij keek weer humeurig.
‘Hoe was het op school?’ vroeg tante.
‘Moeilijk,’ zei Levi, ‘en de meester werd weer boos.’
‘Dan hebben jullie vast niet genoeg je best gedaan,’ zei tante Rachel streng. ‘Of hebben jullie gevochten?’
Ze keek boos naar Levi.
‘Ik heb niet gevochten,’ zei Levi haastig. ‘Het was Simon weer, en een andere jongen. En toen werd meester boos. Hij heeft ze allebei met de rotting geslagen.’
Moeder en tante Rachel schudden hun hoofd.
‘Ik vind, dat die Simon maar eens uit moet kijken,’ zei tante Rachel. ‘Hij maakt telkens maar ruzie. Straks pakt de politie hem nog op. En wat moet zijn vader dan?’
Levi haalde zijn schouders op. ‘Simon staat nu toch ook niet in zijn vaders kraampje,’ zei hij. ‘Dus dat valt dan toch nog wel mee?’
‘Het is de schande, jongen,’ zei tante streng, ‘de schande.’
‘Zullen we aan tafel gaan?’ klonk de zachte stem van moeder.
‘Je hebt gelijk,’ zei tante Rachel, ‘laten we maar gauw gaan eten.’

Moeder en tante waren heel tevreden over haar.
‘Ga nog maar wat moois tekenen,’ zei moeder. ‘Dat heb je wel verdiend.’
Saartje liep naar de kamer en ging bij het raam zitten. Daar tekende ze het smalle straatje en de mensen die erin liepen. Ze vond het moeilijk tekenen, want het was zo donker buiten.
Moeder en tante kwamen even kijken. Stilletjes liepen ze weer weg.
Saartje was ondertussen begonnen met een nieuwe tekening. Ze tekende Roosje.
Ze had haar gisteren nog gezien, dus ze kon zich haar nog goed voorstellen.
Het werd een hele mooie tekening, vond ze zelf.
Ze hield hem even voor zich uit, om naar te kijken.
Toen keek ze opzij. Daar stond tante.
‘Wat kun jij mooi tekenen!’ zei tante vol bewondering.
Ze keek opzij naar moeder.
‘Echt neef Moses,’ zei ze. ‘Heb je hem gekend, Judith?’
‘Nee,’ zei moeder, ‘maar ik heb wel veel van hem gehoord.’
‘Wat tekende neef Moses?’ vroeg Saartje.
‘Van alles,’ zei tante, ‘net zoals jij. Straten, huizen, mensen.’
‘En was er iets wat hij beter tekende dan andere dingen?’ vroeg Saartje.
Tante dacht even na.
‘Mensen,’ zei ze toen. ‘Hij kon mensen zo goed tekenen, dat je ze naast je zag zitten. Zo echt zagen ze eruit. Maar hij tekende van alles. Dat vond hij leuk.’
Saartje legde de tekening opzij.

Vader was eerst stil. Toen vertelde hij, dat er was voorgelezen uit het Memorbuch. Daar had Saartje wel van gehoord. Als het Memorbuch werd voorgelezen, werden alle namen van joden voorgelezen, die bij jodenvervolgingen waren omgekomen. Soms waren er zoveel joden uit een joodse gemeente omgekomen, dat alleen de naam van de gemeente. Maar toch was het altijd een hele lijst.
Vader had tijdens het voorlezen nagedacht over al die omgekomenen. Hij was er wat treurig van geworden. Maar, zei hij, hij was blij dat het nooit meer zo erg zou worden. Mensen deden wel vervelend tegen joden, maar in Nederland werden ze bijna nooit gedood.
Na de maaltijd gingen ze bij de andere gezinnen in het huis op bezoek.
Saartje en haar ouders maakten nu wat beter kennis met deze gezinnen.
Iedereen informeerde belangstellend naar het leven in Maarssen.
Ook vroegen ze, of Saartje nu helemaal beter was. Want tante Rachel had haar buurvrouwen wel eens verteld, dat Saartje heel erg ziek geweest was.
‘Nog niet helemaal,’ zei moeder, ‘maar gelukkig kan ze wel weer alles doen. Ze moet alleen nog af en toe rusten. Maar Jahweh heeft haar gelukkig bij ons laten blijven.’
De buren knikten. Ze waren blij voor Saartje en haar ouders.
Toen ze weer terugkwamen, moest Saartje naar bed. Ze was te moe om te protesteren.
Nog even hoorde ze vader en oom Aäron praten over de thora, toen viel ze wer in slaap.

In de verte zag Saartje nu moeder en tante Rachel komen aanrennen.
Ze liep naar de twee vrouwen toe.
‘Levi bloedt,’ zei ze, ‘en een jongen heeft samen met mij de dokter gehaald.’
Tante en moeder begonnen nu nog harder te rennen.
‘Ga uit de weg,’ snauwde de dokter tegen een paar mensen, die te dichtbij Levi stonden.
‘Zo krijgt die jongen geen lucht meer.’
Meteen gingen de mannen achteruit.
‘Levi,’ riep tante Rachel, ‘wat is er met je aan de hand, jongen?’
‘Dat probeer ik nu net uit te zoeken,’ zei de dokter, niet onvriendelijk.
‘Wilt u mij even laten kijken, vrouw?’
Moeder kwam nu dichterbij. Ze pakte de hand van tante Rachel vast.
‘Stil maar Rachel,’ zei ze, ‘misschien valt het nog wel mee.’

Toen ze bij de pomp aankwam, stonden er een paar jongens.
‘Haal jij alleen water?’ vroeg één van de jongens verwonderd. Saartje kende hem wel. Hij heette David.
‘Ik moet wel,’ zei Saartje. ‘Levi is gevallen, en nu mag hij zijn bed niet uit.’
‘En hebben ze nu tegen je gezegd, dat je water moest halen?’ vroeg David weer.
Saartje aarzelde even.
‘Nee dus,’ zei David. ‘Kom, pak maar water, ik draag het wel voor je.’
Saartje aarzelde nog steeds.
‘Kom op,’ zei David ongeduldig, ‘ik zal je echt niets doen.’
‘Goed dan,’ besloot Saartje, ‘graag.’
Ze pompte het water in de emmer. David nam de emmer van haar over. Hij liep met haar mee naar huis.
‘Woon je hier beneden?’ vroeg hij.
‘Nee,’ zei Saartje, ‘op de derde verdieping.’
David zuchtte even.
‘Je hoeft het niet naar boven te brengen, hoor,’ zei Saartje. ‘Ik kan dat laatste stukje nog wel. Denk ik,’ liet ze er toen zachtjes op volgen.
De deur ging open. Moeder wilde naar buiten lopen. Ze zag er ongerust uit. Toen zag ze Saartje en David.
‘Kind, ik was je al kwijt,’ zei ze. ‘Waar was je toch?’
‘Water halen,’ zei Saartje kleintjes. ‘En toen zei David, dat hij het wel voor me zou dragen.’
Moeder glimlachte warm naar David.
‘Dat vind ik erg aardig van je David. Dank je wel.’
David kreeg een rood hoofd, mompelde iets en liep weg.

De meester keek vriendelijk naar haar.
‘Zozo,’ zei hij, ‘wilde jij ook op school komen?’
‘Dat mag toch niet,’ zei Saartje, ‘dit is toch een school voor jongens!’
De meester lachte even.
‘Ik kom zeggen, dat Levi niet naar school kan komen,’ zei Saartje gewichtig.
De meester trok zijn wenkbrauwen op.
‘Nee maar. En waarom dan wel niet?’
‘Omdat iemand hem op de grond heeft gegooid,’ antwoordde Saartje. ‘En toen heeft hij zijn hoofd gebroken.’
‘Zijn hoofd gebroken?’ vroeg de meester verbaasd. ‘O, je bedoelt een hersenschudding.’
Saartje knikte.
‘Dat is naar,’ zei de meester. ‘En waarom werd hij op de grond gegooid?’
‘Ze vochten,’ zei Saartje, ‘waarom weet ik niet.’
‘En wie vochten er dan?’ vroeg de meester.
‘Levi en …’ begon Saartje. Toen hield ze verschrikt haar mond. Ze hoefde toch Simon niet te verraden. Het was al dom, dat ze Levi verraden had.
‘Kom op, meisje,’ zei de meester streng. ‘Je weet wie het is, zeg op!’
‘Ik … ik,’ begon Saartje.

De meester kwam die dag niet langs.
Saartje liep de volgende dag naar Levi’s school om te vertellen dat hij nog steeds in bed lag.
‘Dank je wel,’ zei de meester, ‘ik had gisteren langs willen komen, maar het lukte niet. Hebben jullie op me gewacht?’
‘Nee,’zei Saartje, ‘we kregen visite voor Levi.’
‘Goed,’ zei de meester. ‘Vandaag probeer ik echt langs te komen. Maar niet op me wachten hoor!’
‘Ik zal het zeggen,’ zei Saartje.
Ze wilde net weglopen, toen ze Simon zag aankomen.
Ze liep naar hem toe.
‘Levi wil graag, dat je langskomt Simon,’ zei ze.
‘En vindt je tante dat wel goed?’ vroeg Simon aarzelend.
‘Ze heeft zelf gezegd dat het mocht,’ antwoordde Saartje.
‘Dan kom ik graag,’ zei Simon, ‘maar ik weet nog niet wanneer. Tenslotte moet ik vanmiddag na school je vader en je oom gaan helpen.’
‘Kom dan tussen de middag,’ stelde Saartje voor, ‘nadat je gegeten hebt. Je kunt toch niet te lang komen. Levi wordt nog steeds gauw moe.’
‘Goed,’ zei Simon, ‘tot vanmiddag dan.’
Hij keek blij toen hij de school inging.

Toen Saartje thuiskwam, vertelde ze dat Simon tussen de middag zou komen voor Levi.
‘Hij eet eerst thuis,’ zei ze. ‘Vanmiddag kan hij niet, want dan moet hij papa en oom Aäron helpen.’
‘Goed, dat hij daaraan denkt,’ zei moeder goedkeurend.
Tante knikte.
‘Aäron en Jacob zijn ook heel tevreden over hem,’ zei ze. ‘Aäron zegt, dat hij heel ijverig is. Jacob kan meestal wel bezig met wat naaiwerk als Simon er is.’
‘Maar papa heeft daar toch geen naaimachine?’ zei Saartje verbaasd.
‘Nee,’ legde moeder uit, ‘maar hij kan wel tekenen en stof knippen.’
‘Voor wie is hij nu dan bezig?’ vroeg Saartje nieuwsgierig.
Moeder lachte. ‘Dat zou je wel willen weten, hè kind. Wacht maar af, je merkt het vanzelf wel.’
Saartje pruilde een beetje. Maar moeder wilde echt niets zeggen.

Moeder was blij, dat Saartje weer thuis was.
‘Ik heb je nodig, want je moet weer een draad in de naald steken,’ zei ze.
Dat deed Saartje voor haar. Toen ging ze verder met haar breiwerk.
Ze had de das nu bijna af.
‘Brei je hierna een das voor mij?’ vroeg tante.
‘Ik vraag aan je oom wel, of hij wol voor me meeneemt.’
Saartje knikte blij. Ze wilde best graag voor tante een das breien.
‘Maar,’ zei ze tegen moeder, ‘wie helpt me nu met het afkanten? Dat deed Roosjes moeder de vorige keer.’
Moeder glimlachte. ‘Ik kan wel breien hoor,’ zei ze. ‘Ik zal je wel helpen. Maar je zult het eerst zelf moeten proberen. Weet je niet meer, hoe Roosjes moeder het deed?’
Saartje dacht even na. ‘Ja, misschien wel!’ zei ze toen verrast.
‘Goed,’ zei moeder beslist. ‘Dan probeer jij het eerst, en dan kijk ik of het zo goed is. Ben je het daarmee eens?’
Saartje was het er helemaal mee eens.

Dussoi's Writing Buddies

burntbeane
4,779 / 50,000
Dragon Pen
0 / 50,000
Gerty
36,058 / 50,000
DemiReb
42,127 / 50,000


Home :: About :: Authors :: My NaNoWriMo :: FAQs :: Fun Stuff :: Donation/Store :: Forums :: Our Programs
Privacy Policy :: Terms and Conditions :: Codes of Conduct :: Returns Policy

Copyright © 2008 The Office of Letters and Light :: All posted novel excerpts remain copyright their authors.
Powered by Drupal